Binnen in de zaal kolkte het publiek en bracht in al haar extase een liefdevol sfeertje voort. Hoewel de dreunende beats er op dat moment teveel aan waren brachten ze me zonder meer aan het dansen. En met mijn tienduizend anderen. De ervaring van het moment was een intense band, tussen mij en een gezichtsloze massa, terwijl al het overige in het wazige bleef. Een herkenbaar deuntje deed mensen volgende drie frases meekelen: “it’s not your fault I was being too demanding / I must admit it’s my pride that made me distant / all because I hoped that you’d be someone different.”
Tegen mijn wil in voelde ik mezelf verstijven. Op eenzelfde manier zoals ik geparalyseerd was in een droom die ik onlangs had. Het had alles te maken met de manier waarop ik mensen, schijnbaar ook jou, een plaats toedicht in mijn leven. En vooral hoe ik daarmee tracht om te gaan. Het was dus een droom gewijd aan extremen en niet aan evenwicht. Een radicaal antagonisme zoals het moment waarop destijds ook de lust diametraal tegenover van de liefde stond.
Nooit heb ik in het verleden enige waarde aan dromen gehecht, noch heb ik ze een plaats in mijn leven gegeven. Maar die recente ervaring ben ik blijven zien als een fatale bedreiging. Omdat de verleiding nu, in tegenstelling tot vroeger, onzinnig is; maar hoe onzinnig ook, tevens in alle opzichten onweerstaanbaar blijft. Het is in dat soort determinisme dat het gevaar schuilt. Het is in dat soort quasi-patstellingen dat ik mezelf (tevergeefs) niet meer probeer te schaken want “if I let you / you would make me destroy myself / in order to survive you / I must survive myself.”